Marcel Boodthaers

Op zijn eerste persoonlijke expositie in 1964 in galerie Saint-Laurent (Brussel) beslist Mar-cel Broodthaers (geboren in 1924 in Sint-Gillis en overleden in 1976 in Keulen) om de on-verkochte exemplaren van zijn vierde dichtbundel Pense-Bête in gips te gieten. Met deze performatieve handeling zet hij zijn literaire voortbrengselen om in een object, het boek wordt het belangrijkste materiaal van zijn plastische expressie. Deze transgressieve handeling maakt zijn poëzie onleesbaar en getuigt van de wil om zijn schrijfactiviteiten te vertalen in visuele kunst. Toch blijft Marcel Broodthaers een poëet. In het spoor van zowel Mallarmé als Magritte, laat hij taal doordringen in zijn plastische werken. Voortaan krijgt zijn poëtische expressie vorm via het in vraag stellen en mise en abyme (letterlijk: "plaat-sing in de afgrond) van de cognitieve functie van taal. Tussen 1965 en 1966 is het belang van de mossel in zijn werk niet onbeduidend. De werken die hij in twee jaar maakt, worden vaak ten onrechte ingedeeld bij de Franse beweging van de Nieuwe Realisten door de opeenstapeling van verbruiksartikelen en lijken ons, niet geheel van humor gespeend, een linguïstische versie te geven van het favoriete weekdier van de Belg, dat, volgens de stijlfi-guur van de tautologie, tegelijkertijd verpakking en inhoud is.

In 1968 richtte hij het Musée d’art moderne, Département des aigles op bij hem thuis, dat wordt beschouwd als de grote bijdrage van Marcel Broodthears aan de geschiedenis van de kunst. Dit conceptuele museum is een reeks van twaalf installaties die elk de naam dragen van een andere afdeling van dit denkbeeldige museum. Doorheen zijn werk boor-devol ironie en spot wil hij aan de toeschouwer een vaak vergeten werkelijkheid tonen, namelijk de commerciële hiërarchie tussen kunst en de autoriteit van de verschillende mu-sea. Tot in 1972, het jaar waarin Marcel Broodthaers zijn museum verkoopt via de afdeling Finances, heeft hij het hegemonische traject van de kunstgeschiedenis onophoudelijk in vraag gesteld, evenals het statuut van conservator die sinds kort curator is geworden. De installatie die we in het kader van deze stelling vooral onthouden is Section des figures : L'aigle de l'oligocène à nos jours voorgesteld in de Kunsthalle van Düsseldorf. Dit werk was de eerste manifestatie van een museum in een openbare instelling. Voor deze expositie trok de kunstenaar zelf het kostuum van curator aan en organiseerde hij een tentoonstelling met meer dan tweehonderd objecten die allemaal de arend voorstelden, zonder enige stilistische, esthetische of kwalitatieve classificatie. Hij wilde de impact van een opschrift op de interpretatie van een kunstwerk in vraag stellen en stelt de nobele daad van het tentoonstellen zelf op de voorgrond door te spotten met de hele waardeschaal tussen grote en kleine kunst. Het opschrift “Dit is geen kunstwerk” is een samentrekking van Magritte schilderij La trahison des images (1929) en de verklaring “Dit is kunst” van Duchamp door van de readymade een anti-autoritair gebaar te maken. Voor Marcel Broodthaers is bevestigen dat een voorwerp kunst is, even dictatoriaal als het te-gendeel beweren. Vanaf 1974 tot aan zijn dood in 1976 bleef Broodthaers met zijn reeks ‘decors’ kritiek uiten op museuminstellingen. Voor deze laatste interventies stelde hij oude producties telkens op een andere manier samen om aan te tonen dat het kunstwerk, in het kader van een tentoonstelling, slechts een afbeelding van zichzelf is en dat deze dient om een waarde toe te kennen aan een daar door de curator geplaatst object.